Literatuurwetenschap: Theorieën (glossar)

Theorieën van belang voor de letterkunde

HideShow resource information

Cultural Turns

  • paradigmaverschuiving of vernieuwing van denkpatroon in literatuur- en cultuurwetenchap
    • reeks van innovaties
    • of: heeft cultuurwetenschap de plaats van literatuurwetenschap ingenomen?
      • interdisciplinair
    • tendes van cultuurwetenschap tot pluarlismus, critische zelfreflectie en (inter-) cultureel inordening van eigen theorie
    • verniewing van cultuurwetenschappen (bv. door vaktaal vastgelopen)
  • kritiek: volgt een denkpatroon op het ander en verwijdert wat er voorheen was?
    • kunnen zij naast elkaar bestaan?
  • mainstream? wedstrijd?
  • linguistic turn
  • 'mega turn'
  • fundamenteel voor alle anderen turns
  • ontwikkelte zich in taalwetenschap
  • 1967 door Richard Rorty bekend geworden
  • alles denken is talig - er is geen denken zonder taal > realiteit = taal
  • analyse van realiteit is altijd door taal 'gefiltert'
  • realiteit is mensengemaakt (want betekenis is mensengemaakt)
  • gaat terug op Ferdinand de Saussure (1916)
  • systeem van differencies (identiteit door afbakening en verschil)
  • (maar ook Jaques Derrida, Roland Barthes, Ludwig Wittgenstein) 
  • interpretative turn
  • heeft zich 1970 in de cultuurwetenschap voltrokken
  • "cultuur als tekst"
  • cultuurbegrip heeft belang van sociaalsystematieken verdringt
  • culturele coderingen, cultuur als betekenisproducent
  • niet meer instituties, wetten en systemen centraal
    • maar indiviuus, details en interpretaties
  • performative turn
  • praktische kant van cultuur centraal
  • handelingen, inscenerigen
  • menselijk gedraag als 'performance': publiek presentation of het zelf, REPRESENTATION
  • "cultuur als performance"
  • process-begrip in plaats van structuur-begrip
    • tegen binaire opposities
  • context van een mens erg belangrijk
  • interpretative turn te veel op tekst geconcentreerd
    • performative turn let meer op handeling, performance
  • reflexive turn / literary turn
  • wetenschappelijke teksten over andere culturen zijn altijd door rhetorieke en narratieve tradities van de eigen cultuur bepaald
  • zelfreflexie
  • Hoe wordt kennis of ervaring tekst?
  • 'cirsis van de representaties'
  • tegenin empirie; maakt deel uit van een postmoderne keerpunt
  • postcolonial turn
  • in context van kolonialisatie, dekolonialisatie en neokoloniale tendensen
  • post = na (chronologisch) 
    • maar ook nieuw vormen en doorwerking van kolonialisme!
  • niet taal of tekst centraal, maar cultuur (zoals ook 'class, race en gender')
  • kritiek op eurocentrisch denken 
  • nog altijd 'othering' > nieuwe analysecategorien nodig
  • waarneming van zelf (zelfrepresentatie) 
    • en ander (andere (tot nu toe marginaliserde) culturen en hun literatuur)
  • translational turn
  • omgang met cultuurcontact, culturele verschillen
  • vertaling niet meer philologisch-linguistisch maar cultuurwetenschappelijk
  • vertaling van en tussen culturen
  • ook belangrijk voor handelen in een complexe levenswereld
  • spatial turn
  • rond het eind van 1980
  • Frederic Jameson "Always spatialise!"
  • doet beroep op geografisch ruimte 
  • postmodern, want niet meer allein tijd van belang (gelijktijdingheid!)
  • ruimte als sociaal construct niet alleen diskursproblematiek
  • kritiek op eurozentrisme, belang van macht
  • pictorial/iconic turn
  • tegen dominantie van taaligheid
  • analyse van beelden, visuele medien
  • rond 1992/4
  • J.T. Mitchell: nieuwe waardering voor denken over beelden, denken onder behulp van beelden > pictorial turn
  • Gottfried Boehm: voor een algemeen beeldwetenschap > iconic turn
    • bereiding voor visuel turn


  • material turn
  • belang van materiele cultuur
  • objectonderzoek
  • Wat zeggen tegenstanden over een cultuur, wat voor betekenissen transfereren ze?
  • toewending tot empirie
1 of 19

Auteur

  • auteurintentie 
  • ook de lezer produceert betekenis
  • Wayne Booth "The Rhetoric of Fiction" 1961 > de impliciete auteur
  • Roland Barthes "La mort de l'auteur" 1968 > de auteur is dood 
  • M.H. Abrams > poëtica: stelsel van normatieve opvattingen over aard en functie van literatuur
  • werkintenre vs. werkexterne poëtica
  • Stötemann en Van Den Akker:

     de mimetische poëtica: poging om getrouw afspiegeling van de wereld te geven
     de expressieve poëtica: uitdrukking van de gevoelens of gedachtens van de auteur
     de pragmatische poëtica: effect teweegbrengen bij lezer
     de autonimistische poëtica: literair kunstwerk op zich van belang

  • auteursfunctie: de auteur als functie die het mogelijk maakt over zijn teksten te spreken 
2 of 19

Hermeneutiek

  • studie van interpretatie
  • de hermeneutische cirkel
    • betekenis van een woord is afhankelijk van context
    • maar je kan nooit alle toepassingen kennen
    • specifieke betekenis ↔ algemene betekenis
  • Schleiermacher:
    • doel van interpretatie is betekenis van de tekst in zijn unieke individualiteit te reconstrueren
    • iedere tekst wordt bepaald door zijn individuele historische verschijningsvorm
  • Dilthey:
    • verzet zich tegen causale verklaring
    • want: een verschijnsel moet niet verklaard worden maar in zijn betekenis verstaan worden: een beweging van buiten (fysieke verschijningsvorm) naar binnen (geestelijke betekenis) 
  • Heidegger:
    • ontologische radicalisering van de hermeneutiek: 
    • bestaan is verstaan, verstaan is een van de meest fundamentele kenmerken van de menselijke existentie (existentiefilosofie)
    • fenomenologie: directe ervaring van fenomenen, streeft naar exacte beschrijving, los van interpretatie
    • laat zich wel verbinden met hermeneutiek
  • Gadamer:
    • zet zich af tegen het methodologische in de hermeneutiek van Schleiermacher en Dilthey
    • sluit aan bij Heidegger
    • verschil tussen positie van interpreet en positie van tekst (horizonnen)
    • volledige reconstructie van horizon van auteur is een illusie
    • interpretatie is confrontatie met horizonnen lezer en auteur
    • horizon van lezer is interpretatiekader
    • interpretatie is nooit af! (Wirkungsgeschichte van een tekst)
3 of 19

Ideologie

  • Marxs en Engels: ideologie = wijdverspreide en abstracte geheel van opvattingen en overtuigingen waarmee we voor onszelf een voorstelling maken van de wereld vals!                

      > ideologie als vals bewustzijn

  • machtsverhoudingen worden geïnternaliseerd > reproductie van conditites
  • macht werkt vanuit bovenbouw op onderbouw
  • kunst kan mensen bewust maken van hun situatie
4 of 19

Discours

  • 'discoursiv formations' > discours
  • er bestaat geen wereld buiten de discours alleen maar waarheidseffecten
  • het subject is een historisch en cultureel bepaald constructie
  • auteur:
    • schrijver neemt een uitzonderingspositie in (buiten discours, ideologie)

of

  •  
    • taalgebruik is altijd ideologisch/discoursief bepaald (schrijfer binnen discours, ideologie)
  • moderne positie van vele theortici:

Literatuur kan niet los worden gezien van sociaaleconomische condities en krachtsverhoudingen, maar macht is ook niet overal en werkt niet op alles in.

  • kritiek: literatuurwetenschapper is zo 'intellectueel' dat hij erdoorheen ziet?
5 of 19

Structuralisme

  • 1950-1970, uit FR
  • menselijke cultuur beschrijven als 'taal' en tekensysteem
  • de Saussures ideëen als model
  • gericht op structuur
  • ordening van afzonderlijke elementen in een coherent en stabiel geheel
  • binaire opposities als basiselementen van structuur
    • syntagma en paradigma (semitotiek)
    • langue en parole (taaltheorie)
    • bipolaire structuur van taal metafoor/metonymie
  • belangrijk voor semiotiek en de ontwikkeling van de narratologie
  • binaire opposties: set van twee termen die lijnrecht tegenover elkaar zijn gesteld en in contrast met elkaar zijn gedefineerd. De eerste term is als standaard bevoorrecht boven de tweede term
  • conventie: geheel van op traditie gebaseerde, algemeen aanvaarde en al dan niet expliciet geformuleerde opvattingen ten aanzien van literaire stijlen, vormen en genres.
  • conventionaliteit van taal (Ferdinand de Saussure): status van talen als culturele producten die niet volgens natuurlijke wetten, maar volgens culturele codes functioneren. Dit impliceert dat de relatie tussen woorden en hun betekenis geen natuurlijk gegeven is, maar het product van traditie.
  • langue/parole (Ferdinand de Saussure): taal als collectief systeem/taal als individuele taaluiting 
  • teken (Ferdinand de Saussure): het ontstaan van betekenis door de koppeling van een associatief geheel van een betekenaar (iets waarneembaars) en een betekende (mentale voorstelling)
  • kritiek: antihumanistisch want op systemen niet op individus gericht
6 of 19

Liberal humanism

  • literatuur en cultuur als beschaafend en mens en maatschappij verheffend 
  • civiliseerende rol van religie nu in literatuur
  • een vertegenwoordiger: Matthew Arnold (1822-1888)
    • "Culture and Anarchy" 1869
7 of 19

New criticism

  • een formalistische school (vanuit VS en Groot-Britannië)
  • 1930-1950
  • teksten als autonome literaire kunstwerken, eenheid en afgeslotenheid van tekst
  • belang van literaire, poëtische taal
  • idee: het nauwkeurige lezen van individuele teksten, los van hun cultuurhistorische context als belangrijkste bezigheid van literatuurwetenschappers > close reading
  • beschrijven van de esthetische kwaliteiten van een werk met speciale aandacht voor complexiteit, ambiguïteit, ironie en het samenspel van vorm en thematiek, met name in poëzie
  • autonomie van de tekst: notie dat teksten op zichzelf staan en dat zij los van hun cultuurhistorische context, andere teksten uit dezelfde periode en een auteursintentie kunnen worden bestudeerd
  • complexiteit: de semantische (betrekking hebbend op betekenis) en formele (betrekking hebbend op de vorm) gelaagdheid van een tekst
  • intentional fallacy: Nl.: valkuil van de auteursintentie, De.: Intentionaler Fehlschluss:           de vergissing om de betekenis van een literaire werk gelijk te stellen aan de (gereconstrueerde) bedoelingen waarmee een auteur al dan niet bewust een literair werk heeft geconcipeerd en vormgegeven
  • ironie: troop die voedt op het waargenomen verschil tussen wat gezegd wordt en wat werkelijk het geval is: tussen wat iemand zegt en wat hij werkelijk meent.
  • onderscheiden zijn:
    • dramatische ironie: procédé waarbij het publiek meer te weten/zien krijgt over het verloop van de handeling dan de personages
    • romantische ironie: het creatieve bewustzijn van de kloof tussen artistieke/verbale vormen en de wereld van de oneinigheid
    • verbale irone: (als ironie)
    • visuele ironie: visuele troop die voedt op het waargenomen verschil en wat werkelijk het geval is
  •  paradox: uitspraak die innerlijk tegenstrijdig lijkt, maar logisch gezien toch kan kloppen
8 of 19

Formalisme

  • kwam vanuit Rusland en Tsjechië
  • 1915-1930
  • gericht op formale kenmerken van teksten
  • deautomatiserende functie van kunst (dus ook literatuur)
  • vervreemding: kenmerk van literariteit van teksten; lezer ervaart gevoel van verassing, verwachtingpatronen worden doorbroken
  • artefact: de literaire tekst als vervaardigd object
  • autonomie van een tekst: notie dat teksten op zichzelf staan en dat zij los van hun cultuurhistorische context, andere teksten uit dezelfde periode en een auteursintentie kunnen worden bestudeerd
  • foregrounding: het proces waarbij taal als taal op de voorgrond treedt en de aandacht op zichzelf, op zijn eigen materialiteit vestigd
  • interne dynamiek van de literatuur: theorie van de literaire evolutie die stelt dat de literatuur voortdurend verandert, terwijl de oorzaak van deze verandering niet in de samenleving te vinden is maar in de interne dynamiek van de literatuur zelf. Deze dynamiek volgt een vast patroon van vernieuwing, automatisering en deautomatiseing of vernieuwing
  • literair syteem: geheel van teksten en tekstmodellen, zowel recente als historische: door de interne dynamiek van de literatuur kan de positie van teksten en modellen verschuiven van het centrum naar de periferie van waardering en andersom
  • literariteit: de literaire eigenschappen van een tekst; dat wat een tekst (in het oog van de lezer) literair maakt
  • montage: prodédé in film en visuele kunsten waarbij een beeld wordt gecreëerd door twee of meer beelden naast elkaar te plaatsen. In modernistsche literatuur ook: de snelle of langzame rangschikking van scènes of passages naast, achter of door elkaar.
  • poëtische functie (Roman Jacobson): gerichtheid van een tekst op zichzelf. Deze functie vestigt de aandacht op de wijze waarop een tekst zichzelf als talige uiting presenteert en waarbij andere (cf. semantische) functies van de taal naar de achtergrond kunnen verschuiven. Teksten van diverse aard kunnen een poëtische functie hebben (zoals reclameteksten), maar in (veel) literaire teksten is de poëtische functie dominant
  • motieven: kleinste informatie-eenheden die volgens het formalisme in een vertelling kunnen worden onderscheiden:
    • dynamsiche motieven: hebben betrekking op een situatie of handeling die een verandering teweegbrengt
    • statische motieven: hebben betrekking op een situatie of handeling die geen verandering teweegbrengt
    • gebonden motieven: zijn essentieel voor het begrijpen van de logische samenhang van het verhaal
    • vrije motieven: geven aanvullende informatie die niet essentieel is om de logische samenhang van het verhaal te begrijpen
  • motivering (Viktor Tomashevski): de functionliteit die alle motieven in (goed gemaakte) verhalen hebben. Motivering wordt onderverdeeld in:
    • compositionele motivering: motieven versterken de logische samenhang van een verhaal
    • esthetische motivering: motieven dragen bij aan de literariteit van het verhaal
    • realistische motivering: motieven dragen bij tot de realisering van een werkelijkheidsillusie
  • kritiek: veronderstelt een bepaald soort mens (blank, heteroseksueel, mannelijk)
  • spreekt waardeordelen uit (Alleen literatuur met een vervreemdingseffect is goed)
  • Boris Eichenbaum (1886-1959) en Viktor Sjklovski (1893-1984)
9 of 19

Narratologie

  • voortgekomen uit de verhaaltheorieën van de formalisten en de structuralisten
  • er wordt gekeken naar structuur van verhalen, relaties tussen hun thematiek en de functies die de verhalen voor groepen lezers vervullen
  • geïntegreerd in feministische literatuurkritiek, mediastudies en postkoloniale literatuurkritiek
  • anachronie: een afwijking tussen de verteeltijd (i.e. volgorde, duur en frequentie van de vertelling) en de vertelde tijd (de volgorde, duur en frequentie van de handeling binnen de verhaalwereld):
    • in media res: een vertelprocédé waarbij de vertelling ergens halverwege de reeks gebeurtenissen waaruit het verhaal bestaat, begint en pas later aangeeft wat hieraan is voorafgegaan
    • flashback (Gérard Genette): analepsis: een sprong naar het verleden in de loop van de vertelling
    • flashforward (Gérard Genette): prolepsis: een sprong naar de toekomst in de loop van de vertelling
    • iteratieve verteltrant: techniek waarbij gebeurtenissen of handelingen die in de verhaalwereld herhaaldelijk voorkomen slechts eenmaal worden verteld
    • singuliere verteltrant: techniek waarbij alle handelingen in de verhaalwereld voor zover mogelijk apart worden verteld
    • versnelling: lange tijdsperiodes in de verhaalwereld zijn heel kort behandeld
    • vertraging: afzonderlijke momenten van korte(re) duur in de verhaalwereld zijn minutieus weergegeven
  • actantieel model (Algirdas Greimas): model dat laat zien dat elk verhaal eenzelfde onderliggende plotstructuur heeft die bestaat uit zes rollen ('actanten') die telkens door andere instanties kunnen worden vervuld: het subject, het object, de tegenstander, de helper, de macht en de begunstigde
  • fictionaliteit: de vrijheid van schrijvers om binnen bepaalde genres van alles te kunnen verzinnen en de houding van 'doen-alsof' (willing suspension of disbelief) die lezers of toeschouwers hierbij aanemen
  • focalisatie (Gérard Genette, Mieke Bal): de relatie tussen de gebeurtenissen in de verhaalwereld en het oogpunt of centrum van bewustzijn van waaruit zij zijn waargenomen. Teksten kunnen verschuiven tussen: 
    • personagefocalisatie: gebeurtenissen, scènes of personages in het verhaal worden waargenomen door de ogen en /of via de belevingswereld van een van de personages ('filterpersonage')
    • vertellersfocalisatie: gebeurtenissen, scènes of personages in het verhaal worden waargenomen door de ogen en /of via de belevingswereld van (een van) de verteller(s)
  • focalisator (Gérard Genette, Mieke Bal): het subject van waaruit een verhaalwereld is waargenomen. De rol van focalisator (wie neemt een handeling of personage waar?) is te onderscheiden van de rol van verteller (wie brengt het verhaal onder woorden?). Het kan zijn dat de verteller ook de rol van focalisator op zich neemt (dan spreken wij van vertellersfocaliatie), maar de verteller kan ook de rol van focalisator overdragen aan een personage (dan spreken wij van personagefocalisatie). In de loop van het verhaal kan de focalicatie dus verschuiven van verteller naar personage, maar ook tussen personages onderling. 
  • heteroglossia (Michel Bachtin): het voorkomen van verschillende discoursen of 'talen' in een verhaal; kenmerkend voor romans.
  • interactiviteit: dialoog tussen lezer en (digitale) tekst, waarbij de lezer actief deelneemt aan de totstandkoming, indeling en/of vormgeving van de tekst en zijn betekenis
  • karakterisering: het beeld van de romanpersonage zoals geschapen door een verteller. onderscheiden worden:
    • expliciete karakterisering: het beeld van een personage wordt rechtstreeks door de verteller bepaald middels uitspraken en beschrijvingen
    • impliciete karakterisering: het beeld van een personage wordt op indirecte wijze bepaald door handelingen, uitspraken en indrukken zoals waargenomen door andere personages alsook (via de tekst) door de lezer
    • flat character (E.M. Forster): personage dat vlak of schetsmatig is neergezet, vaak kan worden teruggebracht tot een clichématige type en geen persoonlijke ontwikkeling ondergaat in de loop van het verhaal
    • round character (E.M. Forster): gelaagd of 'rond' personage dat vaak in confilct is met zichzelf en zich in de loop van het verhaal steeds blijft ontwikkelen
  • motieven: kleinste informatie-eenheden die volgens het formalisme in een vertelling kunnen worden onderscheiden:
    • dynamsiche motieven: hebben betrekking op een situatie of handeling die een verandering teweegbrengt
    • statische motieven: hebben betrekking op een situatie of handeling die geen verandering teweegbrengt
    • gebonden motieven: zijn essentieel voor het begrijpen van de logische samenhang van het verhaal
    • vrije motieven: geven aanvullende informatie die niet essentieel is om de logische samenhang van het verhaal te begrijpen
  • motivering (Viktor Tomashevski): de functionliteit die alle motieven in (goed gemaakte) verhalen hebben. Motivering wordt onderverdeeld in:
    • compositionele motivering: motieven versterken de logische samenhang van een verhaal
    • esthetische motivering: motieven dragen bij aan de literariteit van het verhaal
    • realistische motivering: motieven dragen bij tot de realisering van een werkelijkheidsillusie
  • narrativisme: stroming in de geschiedfilosofie waarin de literaire dimensies van geschiedsschrijving worden benadrukt. Het narritivisme zet zich hiermee af tegen de dominante traditie in een geschiedsfilosofie die uitging van een binaire oppositie tussen literatuur en geschiedschrijving
  • personegetekst: alle uitspraken in een vertelling die aan een personage zijn toe te schrijven. Taaluitingen van vertellers en personages kunnen als volgt worden gecombineerd:
    • diëgetische samenvatting: de lezer krijgt van de verteller alleen te horen dát een personage iets heeft gezegd, niet wát hij heeft gezegd
    • directe rede: de lezer krijkgt uitspraken van personages rechtstreeks aangeboden in de vorm van letterlijk geciteerde uitspraken
    • indirecte rede: de uitspraken van personages worden ingebed in de vertellerstekst (bijv. 'Hij zei dat hij...')
    • vrije indirecte rede: vermenging van personagetekst en vertellerstekst, waarbij de eerste door de laatste wordt opgenomen zonder dat hierbij geciteerd wordt (vergelijk: vertellerstekst)
  • plot: opeenvolging van gebonden motieven in hun logische samenhang (ruggenraat van het verhaal)
  • raamvertelling: ale een primaire vertelling iemand anders een verhaal laat vertellen binnen zijn eigen verhaal, dan vormt de vertelling van de primaire verteller de raamvertelling. Het verhaal dat de secundaire verteller vertelt vormt het ingebedde verhaal
  • realisme: algemene term om het effect aan te duiden van fictionale verhaalwerelden die (dankzij het gebruik van specifieke procédés) sterke overeenkomsten tonen met de als werkelijk of actueel ervaren wereld
  • spanning:
  • subject-positie (Michel Foucault, Laura Mulvey): de (ideologisch vastgestelde) positie die kijkers/lezers (ongemerkt) innemen ten opzichte van de gepresenteerde verhaalwereld: als kijkers/lezers zijn zij niet neutraal of autonoom, maar ervaren zij beelden en teksten altijd al vanuit een sociaal-cultureel bepaald oogpunt.Subject-positie vervangt in deze context vaak de term 'subject' om te benadrukken dat een subject mede wordt vormgegeven door de posities (de rollen of functies) die voor hem voorhanden zijn binnen de maatschappij of soicale formatie
  • verhaal: Engl. narrative, de representatie in een medium van een reeks samenhangende gebeurtenissen waarbij de menselijke ervaring centraal staat. Terwijl de Nederlandse term 'verhaal' zowel de representatie als de gebeurtenissen dekt, beschikt men in het Engels over twee termen om deze twee aspecten van verhalen aan te duiden: de representatie (narrative) en de handeling die het onderwerp zijn van die representatie (story). Mede onder invloed van het Engels heeft de term 'narratief' ook in het Nederlands enige ingang gevonden en wordt gebruikt om het feit te benadrukken dat elk verhaal (in de zin van story) gedragen wordt door een representatie ('narratief' of verhalende tekst). Vergelijk: vertelling.
10 of 19

Poststructuralisme

  • rond 1960
  • theory revolution, linguistic turn
  • o.a. deconstructie, discoursanalyse, postkolonialisme, gendertheorie
  • politieke en ideologische dimensie van taalgebruik
  • betekenis ligt niet vast maar is dynamisch
    • kritiek op binaire opposities en essentialisme

1. theorie heeft altijd een pragmatische kant
2. theorie heeft een retorischeesthetische en 'literaire' component
3. theorie is dynamisch 'travelling theory'

  • binaire opposties: set van twee termen die lijnrecht tegenover elkaar zijn gesteld en in contrast met elkaar zijn gedefineerd. De eerste term is als standaard bevoorrecht boven de twede term. 
  • deconstructie: tegendraadse leesstrategien die de mythe van een stabiele betekeniskern ondergraaft, binaire opposities ontmaskert als indammers van een potentieel eindeloos verschuivende betekenisbeweging en kijkt *** toevallig, marginale aspecten van een tekst zijn voorgewende 'boodschap' ondermijnen.
  • différance (Jaques Derrida): enerzijds het verschil (differentie) tussen betekenaars waardoor betekenis tot stand komt, anderzijds het uitstel of de steeds opschuivende bewegingen van betekenis, waardoor nooit een eindpunt van betekenis wordt bereikt
  • 'dood van de auteur' (Roland Barthes): poststructuralistisch motto: de auteur en zijn intenties dienen niet meer als referentiepunt en betekeniscentrum in de reflectie op teksten en hun betekenis.
  • postmodernisme: cultuurhistorische term ter aanduiding van de periode vanaf de jaren zestig tot aan het heden; gekenmerkt door uiteenlopende processen die onderverdeeld zijn in:
    • literair postmodernisme: herschrijving en radicalisering van het modernisme, waarbij fragmentatie en discontinuïteit, tekstuele zelfreflexiviteit en metafictie als typerend gelden.
    • filosofisch postmodernisme: kritische ondervraging in de filosofie (Jean-Francois Lyotard) van het geloof in Grote Verhalen (systeemdenken)
    • cultureel postmodernisme: culturele logica van het laat-kapitalisme (Frederic Jamson), waarbij digitaliserig en globalisering een centrale rol spelen.
  • Jaques Derrida (1930-2004)
  • Roland Barthes (1915-1980)
  • Julia Kristeva (geb. 1941)
  • Judith Butler (geb. 1956)
  • Edward Said (1935-2003)
  • Homi Bhabha (geb. 1949)
11 of 19

Gender Studies

  • gender als sociale constructie
  • binaire oppositie: man(nelijkheid) - vrouw(elijkheid)
  • 'vrouwelijkheid' als patroon van onderdrukking en uitbuiting van de vrouw                     > vrijheid, autonomie
  • tegenstelling lichaam - geest
    • niet genderneutraal > man / geest - vrouw / lichaam
  • de sociale en culturele context stuurt en kleurt literatuur
  • maar: ook literatuur brengt culturele betekenis van gender teweg !

Feministische literatuurkritiek (deel van gender studies)

  • rond 1960
  • gericht op constructie van seksuele identiteit 
  • de Ander: eenieder die binnen een dominant discours als vreemd en tegengesteld ten opzichte van het zelf of 'eigene' wordt neergezet. Het zelf functioneert hierbij als de norm, de ander als de afwijking: de eerste is het 'positief', de laatste het 'negatief" 
  • binaire oppositie: set van twee termen die lijnrecht tegenover elkaar zijn gesteld en in contrast met elkaar zijn gedefineerd. De eerste term is als standaard bevoorrecht boven de tweede term
  • deconstructie: tegendraadse leesstrategien die de mythe van een stabiele betekeniskern ondergraaft, binaire opposities ontmaskert als indammers van een potentieel eindeloos verschuivende betekenisbeweging en kijkt *** toevallig, marginale aspecten van een tekst zijn voorgewende 'boodschap' ondermijnen.
  • différance (Jaques Derrida): enerzijds het verschil (differentie) tussen betekenaars waardoor beteknis tot stand komt, anderzijds het uitstel of steeds opschuivende beweging van betekenis, waardoor nooit een eindpunt van betekenis wordt bereikt
  • gaze: bv. de mannelijke blik (gaze) die de vrouw waarneemt en haar defineert/waardeert (o.a. ook verinnerlijkte mannelijke blik bij vrouwen...)
  • negotiated reading (John Fiske): leeshouding waarbij de lezer zich deels laat leiden door de leesinstructies die de tekst expliciet of impliciet aanreikt, en deels een individuele invulling geeft aan de functie en betekenis van de tekst
  • resisting reader (Judith Fetterley): lezer die zich verzet tegen of onttrekt aan de door de tekst gesuggereerde leeshouding
  • subjectpositie (Michel Foucault, Laura Mulvey): de (ideologisch vastgestelde) positie die kijkers/lezers (ongemerkt) innemen ten opzichte van de gepresenteerde verhaalwereld: als kijkers/lezers zijn zij niet neutraal of autonoom, maar ervaren zij beelden en teksten altijd al vanuit een sociaal-cultureel bepaald oogpunt.Subject-positie vervangt in deze context vaak de term 'subject' om te benadrukken dat een subject mede wordt vormgegeven door de posities (de rollen of functies) die voor hem voorhanden zijn binnen de maatschappij of soicale formatie
  • uitsluitingsmechanisme: proces dat het afwijkende groepen onmogelijk maakt door te dringen in de dominante of legitieme cultuur
  • Simone De Beauvoir (1908-1986)
  • Judith Butler (geb. 1956)
12 of 19

Postkoloniale literatuurkritiek

  • sinds 1980 van belang
  • literaire teksten als dragers en 'makers' van culturele waarden, als bemiddelaars in de constructie van culturele identiteit en ook als bemiddelaars tussen verschillende culturen
  • verhouding literaire teksten en concrete historische, politieke en culturele contexten!
  • deconstructie van koloniale discoursen en eurozentrisch denkbeelden
  • begrip problematisch want: 
    • post > voorbij
    • maar ook: nieuwe vormen van kolonialisme: neokolonialisme
    • overal hetzelfde (Azië, Afrikaa, India...) ?
  • de Ander: eenieder die binnen een dominant discours als vreemd en tegengesteld ten opzichte van het zelf of 'eigen' wordt neergezet. Het zelf functioneert hierbij als de norm, de ander als de afwijking: de eerste is het 'positief', de laatste het 'negatief'
  • binaire oppositie: set van twee termen die lijnrecht tegenover elkaar zijn gesteld en in contrast met elkaar zijn gedefineerd. De eerste term is als standaars bevoorrecht boven de twede term. 
  • culturele identiteit: de relatie tussen zelf, taal, tijd en plaats (geografisch en historisch), die medegevormd is door de constructie van imagined communities enerzijds en de ervaring van het verschil met andere culturele groepen anderzijds
  • cultuurkritiek: kritische reflectie op de cultuur als de plaats waar betekenissen worden geproduceerd en verspreid
  • deconstructie: tegendraadse leesstrategien die de mythe van een stabiele betekeniskern ondergraaft, binaire opposities ontmaskert als indammers van een potentieel eindeloos verschuivende betekenisbeweging en kijkt *** toevallig, marginale aspecten van een tekst zijn voorgewende 'boodschap' ondermijnen.
  • différance(Jaques Derrida): enerzijds het verschil (differentie) tussen betekenaars waardoor betekenis tot stand komt, anderzijds het uitstel of de steeds opschuivende bewegingen van betekenis, waardoor nooit een eindpunt van betekenis wordt bereikt
  • discours (Michel Foucault): kensystemen die zijn ingeschreven in een specifiek vocabulaire en de wereld ordenen, interpreteren en 'bekend' maken. Als zodanig structuren discoursen (onze blik op) de werkelijkheid en kunnen zij macht over ons uitoefenen.
  • displacement
    • 1. verwijst naar het probleem dat culturele identiteit tijdens en/of na de koloniale periode werd ondermijnd, doordat oorspronkelijke bewoners uit gekolonialiseerde gebieden werden verplaatst, of zich verplaatsten, naar andere gebieden (ook slavenvervoer)
    • 2. verwijst naar de bewuste dan wel onbewuste onderdrukking van een eigen taal en cultuur tijdens en/of na de periode van koloniale overheersing (ook mimicry)
  • exotisme: fascinatie voor en toe-eigening van alles wat vreemd, buitenlands, ongewoon of anders is
  • hegemonie (Antonio Gramsci): proces waarbij een dominante groep steeds weer de bereidwillige instemming verkrijkt van ondergeschikte groepen in een sociaal-politiek en sociaal-cultureel systeem
  • hybriditeit (Homi K. Bhabha): uitkomst van een proces waarbij aspecten van het koloniserende en gekoloniseerde subject 'onwettig' zijn vermengd. Dit proces schept een 'derde' identiteit tussen bestaande culturen en ondergraaft de geldigheid van een essentialistisch idee van identiteit als een vaststaand gegeven
  • imagined communities (Benedeict Anderson): virtuele gemeenschappen die tot stand zijn gekomen via de moderne media (kranten literatuur, film, televisie) en die wij nooit daadwerkelijk zullen kunnen waarnemen. Wij kunnen bijvoorbeeld niet alle Nederlanders of Europeanen personelijk ontmoeten of leren kennen en toch spreken we van 'Nederland' en 'Europa'.
  • imperialisme: het toe-eigenen van een ander, ver teritorium en het onderwerpen van dit territorium aan de eigen, politische en economische hegemonie. 
    • Letterlijk: het proces waarmee een wereldrijk wordt gevestigd en bestendigd. 
    • (In marxistische zin: hoogste, monopolistische stadium van het kapitalisme) 
  • intercultureel verkeer: verzamelterm voor de vele manieren waarop culturele groepen ideëen, gewoontes, normen en waarden uitwisselen. 
  • kolonialisme: gevolg van imperialisme: het cultiveren en 'ontwikkelen' van een bezet territorium op het gebied van openbaar bestuur, landbouw, industrie, infrastructuur, onderwijs en kunst.
  • metropolis: imperialistisch centrum waar culturele en literaire normen werden en worden vastgesteld
  • mimicry (Homi K. Bhabha): het imiteren van de kolonisator door het gekoloniseerde subject met een verschil ('the same but not quite'). Dit verschil is bedreigend voor de kolonisator, omdat het dicht in de buurt komt van spot en parodie
  • oriëntalisme (Edwars Said): de constructie van 'de Oriënt' als een sociaal-culturele werkelijkheid in westerse denksystemen, representaties en verbeeldingen in de schilderkunst, muziek, literatuur en later ook fotografie en film
  • postkoloniale lietartuur: literatuur die op een of andere wijze voorkomt uit de koloniale ervaring, zich direct of indirect verhoudt tot de koloniale overheersing en geproduceerd is in de periode tijdens en na die overheersing.
  • (post)nationaal denken: verschillende vormen van kritiek op het nationalisme en recente pogingen die zijn ondernomen om kritisch te reflecteren op de verhouding tussen staat en cultuur en op nieuwe gemeenschapsvormen. 
  • Edward Said: oriëntalism > orient als construct
  • Homi K. Bhabha: zelf - ander > ambivalente verhouding verlangen - haat
13 of 19

New Historicism

  • volgt op New Criticism, poststructuralisme en neomarxisme
  • historische benadering
  • vanuit Engelstalige literatuurwetenschap
  • vanaf 1980
  • belangstelling voor historische dimensies van literatuur en de relaties tussen teksten en cultuurhistorische contexten
  • bv. politieke macht in taaluitingen
  • relatie tussen tekst en context als dynamisch en productief samenspel > met altijd kleine verschuivingen
  • circulatie van sociale energie (Stephan Greenblatt): wisselwerking tussen literaire en niet-literaire uitdrukkingsmiddelen binnen de cultuur opgevat als een dynamisch geheel
  • cultural poetics (Stephan Greenblatt): wetenschappelijke invalshoek binnen het New Historicism die de manier bestudeert waarop cultuur geproduceerd wordt in de circulatie van sociale energie. De term 'poetics' wordt in dit verband gebruikt om te benadrukken dat de poëtica zich niet beperkt tot de literatuur en kunst, maar zich uitstrekt tot het bredere culturele domain
  • discours (Michel Foucault): kensystemen die zijn ingeschreven in een specifiek vocabulaire en de wereld ordenen, interpreteren en 'bekend' maken. Als zodanig structuren discoursen (onze blik op) de werkelijkheid en kunnen zij macht over ons uitoefenen.
  • historiciteit: verwijst naar het idee dat (de betekenis van) objecten van wetenschappelijk onderzoek, alsmede het onderzoek zelf, historisch bepaald en veranderlijk zijn. 
  • historisme: wetenschapsfilosofisch standpunt dat de cultuur en samenleving vanuit een historisch perspectief benaderd moet worden: de verklaring voor wat er is (in ons geval de literaire praktijk) moet gezien worden in historische ontwikkelingen en veranderlijkheid
14 of 19

Empirische literatuurwetenschap

  • sinds 1980
  • gedrag van lezers centraal
  • ontleent methodes aan psychologie en sociologie
  • cognitieve processen: mentale processen die met het waarnemen, begrijpen en verwerken hebben te maken
  • coherentie: samenhang tussen verschillende onderdelen van een tekst binnen een zin, tussen zinnen en tussen alinea's
  • congruentietheorie: psychologische theorie die aanneemt dat een overeenstemming (congruentie) tussen de emotionale toestand van de lezer en de in een tekst weergegeven emotionale stemming, emotie, of situatie, leidt tot een scherpere waarneming (intensievere waarneming of beter herinnern van het gelezen)
  • empathie: zich in iemand kunnen inleven zonder te vergeten dat het om iemand anders gaat
  • identificatie: inleven met gevoel van versmelting
    • similariteitsidentificatie: herkenning van eigen situatie of eigenschap
    • wensidentificatie: herkenning van wat de lezer graag zou willen zijn of beleven
  • empirie: domeinen van de zintuigelijke waarneming
  • escapismede psychologische neiging of gewoonte om de zorgen van het alledaagse leven en de daarbij horende verplichtingen te vergeten bv. met behulp van literatuur
  • experimenteel onderzoek: onderzoek waarin kunstmatig een situatie wordt geschapen die het toetsen van invloeden van variablen mogelijk maakt
  • functies van het lezen: betekenissen van het lezen in het leven, variërend al naar gelaag van de levensfase en sociaal-culturele situatie van lezers
  • identiteitsthema: term ter aanduiding van het fenomeen dat de identiteit van een auteur een terugkerend thema vormt in zijn werk. Elementen kunnen varieren maar thema blijft.
  • leesautobiographie: biographie van diegene die leest en wat hij bij het lezen ondervindt
  • literaire socialisatie: de manier waarop mensen van jongs af aan in aanraking komen of omgaan met fictie
  • mentale representatie: de voorstelling van een tekst en zijn verhaalwereld die lezers tijdens het lezen opbouwen
  • observantenrol: rol die verbonden is met reacties van emphatie: lezers kunnen zich een beeld vormen van de verhaalwereld, kunnen er ook door geboeid raken, maar hebben daarbij niet het gevoel op te gaan in de wereld
  • participantenrolrol die verbonden is met reacties van identificatie: lezers leven zich in de verhaalwereld in alsof zij zelf in die wereld staan en erdoor worden aangeraakt
  • schema: een basisframe in het geheugen dat snel activeerbaar is en vervolgens - afhankelijk van de situatie - kan worden ingevuld
  • script: een specifiek soort schema dat betrekking heeft op stereotiepe handelingspatronen
  • Sinnkonstanz (Hans Hörmann): uitgangspunt in de schrijftelijke en mondelinge communicatie dat het mogelijk moet zijn om aan het gezegde of geschrevene in de gegeven context een zinvolle betekenis te geven
  • superstructuur: schema dat specifiek betrekking heeft op teksten. Enerzijds gaat het om standaadtekstvormen zoals die in bepaalde genres gangbaar zijn, anderzijds voldoen veel verhalende teksten aan het algemene schema van de traditionele plot, dat wil zeggen achtereenvolgens: uitgangssituatie, complicatie, pogingen tot oplossing, ontknoping en afsluiting
  • variablen: sociale factoren die maken dat mensen verschillen, bv. in leesgedrag
  • verwerkingsprocessen: mentale processen (bottom-up en top-down) waarbij lezers zin geven aan teksten: processen die aldus uitstijgen boven het rudimentaire waarnemen alleen
15 of 19

Semiotiek

  • 1975-1990
  • idee: de hele menselijke cultuur op systematische wijze in termen van betekenisproductie beschrijven
  • Saussures tekenleer als inspiratie
  • betekenaar (Ferdinand de Saussure): klankbeeld of ander middel/medium dat als betekenisdrager functioneert
  • betekende (Ferdinand de Saussure): de mentale voorstelling die het product is van het gebruik van een betekenaar. Betekenis.
  • langue/parole (Ferdinand de Saussure): taal als collectief systeem/taal als individuele taaluiting 
  • teken (Ferdinand de Saussure): het ontstaan van betekenis door de koppeling van een associatief geheel van een betekenaar (iets waarneembaars) en een betekende (mentale voorstelling)
  • conventionaliteit van taal (Ferdinand de Saussure): status van talen als culturele producten die niet volgens natuurlijke wetten, maar volgens culturele codes functioneren. Dit impliceert dat de relatie tussen woorden en hun betekenis geen natuurlijk gegeven is, maar het product van traditie.
  • binaire opposties: set van twee termen die lijnrecht tegenover elkaar zijn gesteld en in contrast met elkaar zijn gedefineerd. De eerste term is als standaard bevoorrecht boven de tweede term
  • denotatie (Roland Barthes): 'letterlijk', normatief betekenisniveau
  • connotatie (Roland Barthes): 'verborgen', secundaire, sociaal-culturele associaties van een woord, object of beeld dat ontmaskerd kan worden door de cultuuranalist.
16 of 19

Stilistiek

  • houdt zich bezig met de onderscheidenen kenmerken van het taalgebruik van individuele schrijvers
  • benadert individuele stijlkenmerken via een nauwkeurige tekstanalyse
    • ook met behulp van digitale zoekmethodes
  • beïnvloed door formalisme en New Criticism
  • chiasme: een kombinatie van parallelisme en inversie, waarbij de corresponderende woorden kruiselings tegenover elkaar staan.
  • enjambement: het zonder pauze doorloopen van de ene versregel in de volgende, waardoor zinsdelen die syntactisch bij elkaar horen worden gescheiden.
  • foregrounding: het proces waarbij taal als taal op de voorgrond treedt en de aandacht op zichzelf, op zijn eigen materialiteit vestigd
  • inversie: afwijking van de normale woordvolgorde door deze volgorde om te draaien
  • ironie: troop die voedt op het waargenomen verschil tussen wat gezegd wordt en wat werkelijk het geval is: tussen wat iemand zegt en wat hij werkelijk meent.
  • onderscheiden zijn:
    • dramatische ironie: procédé waarbij het publiek meer te weten/zien krijgt over het verloop van de handeling dan de personages
    • romantische ironie: het creatieve bewustzijn van de kloof tussen artistieke/verbale vormen en de wereld van de oneinigheid
    • verbale irone: (als ironie)
    • visuele ironie: visuele troop die voedt op het waargenomen verschil en wat werkelijk het geval is
  • literaiteit: de literaire eigenschappen van teksten, dat wat een tekst (in het oog van de lezer) literair maakt.
  • metafoor: troop die een beeld, woord of zinsnede gebruikt om iets anders aan te duiden. Hierdoor onstaat een impliciete vergelijking.
  • parallellisme: procédé waarbij de aanhef van een zin terugkeert, of de opbouw van een zin wordt herhaald.
  • poëtica:
    • 1. leer van de onderliggende principes, vormen en productietechnieken van literaire teksten in het algemeen
    • 2. leer van de onderliggende principes, vormen en productietechnieken van de dichtkunst in het bijzonder
  • poëtische functie (Roman Jacobson): gerichtheid van een tekst op zichzelf. Deze functie vestigt de aandacht op de wijze waarop een tekst zichzelf als talige uiting presenteert en waarbij andere (cf. semantische) functies van de taal naar de achtergrond kunnen verschuiven. Teksten van diverse aard kunnen een poëtische functie hebben (zoals reclameteksten), maar in (veel) literaire teksten is de poëtische functie dominant.
  • retorica: theorie van de welsprekendheid
  • rijm: de herhaling van klanken van verwante klinkers of medeklinkers
  • ritme: de min of meer geordende herhaling van zichtbare, hoorbare en/of tastbare stimuli
  • stijl: karakteristieke manier waarop een individu of een groep zich in de taal uitdrukt
  • troop: een vervanging van de 'gewone' uitdrukking. de basistropen in de westerse cultuur: ironie, metafoor, metonymie en synecdoche
17 of 19

Receptie-Esthetica

  • vanaf 1970, DE
  • vraagt aandacht voor de rol van de lezer
  • teksten worden in relatie met de lezer geïnterpreteerd
  • wat zijn de effecten op de lezer?
  • vergelijk: empirische literatuurwetenschap, historische receptieonderzoek
  • aangesproken lezer: de lezer tot wie de spreker of woordvoerder in een tekst zich expliciet richt. Onderscheiden worden:
    • aangesproken fiktieve lezer: een verzonnen instantie die vaak onderdeel is van de verhaalwereld
    • aangesproken historische lezer: een werkelijk bestaande persoon die met naam en toenaam is genoemd
    • aangesproken reële lezer: ieder willekeurige lezer van een tekst die direct wordt aangesproken
  • impliciete lezer: lezersrol zoals veronderstelt door een tekst, waarbij 'de lezer' geen concreet persoon is, maar het geheel van culturele normen, waarden, achtergronden en attitudes dat nodig is om de verhaalwereld te kunnen begrijpen.
  • verwachtingshorizon: geheel van kennis, normen, waarden en verwachtingen waarover lezers beschikken op het moment dat zij een tekst gaan lezen en dat hun leeservaring stuurt.
  • interactiviteit: dialoog tussen lezer en (digitale) tekst, waarbij de lezer actief deelneemt aan de totstandkoming, indelig en / of vormgeving van de tekst en zijn betekenis.
  • negotiated reading (John Fiske): leeshouding waarbij de lezer zich deels laat leiden door de leesinstructies die de tekst expliciet of impliciet aanreikt, en deels een individuele invulling geeft aan de functie en betekenis van de tekst
  • resisting reader (Judith Fetterley): lezer die zich verzet tegen of onttrekt aan de door de tekst gesuggereerde leeshouding
  • normdoorbreking:
  • onbepaaldheid (Roman Ingarden): door en onvermeidelijke gebrek aan (visuele) volledigheid en precisie dat inherent is aan de taal, stimuleren (literaire) teksten de lezer op aanvullende wijze de eigen fantasie te gerbuiken in het leesproces.
  • open plek (DE: Leerstelle) (Wolfang Iser): specifieke plaats in een tekst waar de lezer onvoldoende informatie aangereikt krijgt om zich een voldoende coherent beeld te vormen van de voorgestelde verhaalwereld en haar personages.
18 of 19

.

19 of 19

Comments

No comments have yet been made

Similar Other resources:

See all Other resources »See all Termen en technieken van de letterkunde resources »